De huur en verhuur van onroerende zaken (of gedeelten daarvan) die geen woonruimte zijn en aangemerkt worden als bedrijfsruimte kent twee wettelijke regelingen. Om te bepalen welke regeling van toepassing is, moet u eerst een keuze maken uit de volgende twee groepen bedrijfsruimten:
A. De Huurwet is geheel of gedeeltelijk van toepassing op : kantoren fabrieken garageboxen e.d. pakhuizen praktijkruimten toonzalen clublokalen bioscoopzalen
In hoeverre valt de bedrijfsruimte onder de Huurwet?
Om te kunnen bepalen in welke mate de bedrijfsruimte onder de huurwet valt, dient u een aantal vragen te beantwoorden. De antwoorden kunt u aanklikken, waarna (eventueel) de volgende vraag verschijnt. Is de bedrijfsrumte gebouwd op of na 5 mei 1945 zonder subsidie? Ja Nee Zo ja: De Huurwetruimte is geliberaliseerd Dit betekent: Het is niet mogelijk de huurcommissie in te schakelen, de huurprijs is vrij Huurder heeft geen huurbescherming, alleen ontruimingsbescherming (art 28a e.v. Huurwet) De verhuurder kan overgaan tot ontruiming. Indien de huurder niet akkoord gaat met het verzoek tot ontruiming, moet de huurder binnen twee maanden aan de kantonrechter verzoeken om verlenging van de termijn. Deze kan tot max. 3 maal een verlenging van 1 jaar verlenen. De kantonrechter stelt, na advies van de Huurcommissie een nieuwe huurprijs vast.
Zo nee is het afhankelijk in welke gemeente Uw bedrijf gevestigd is en kunnen er afzonderlijke regelingen van toepassing zijn. Op aanvraag informeren wij U hierover gaarne verder.
B. Het Burgerlijk Wetboek (art 1624 t/m 1636b) is van toepassing op:
1. Een (gedeelte van) gebouwde onroerende zaak dat krachtens een huurovereenkomst is bestemd voor: kleinhandelsbedrijf (winkels) restaurant- of cafébedrijf afhaal- of besteldienst ambachtsbedrijf (onder de voorwaarde dat in de ruimte een voor publiek toegankelijk lokaal aanwezig is voor de levering van goederen of diensten.) hotelbedrijf
2. Kampeerbedrijven Verhuur van bedrijfsruimten die onder het Burgerlijk Wetboek vallen (Zogenaamde Middenstandsbedrijfspanden) Deze regeling geldt voor heel Nederland. In principe is de huurprijs vrij overeen te komen tussen huurder en verhuurder De huurder heeft bescherming met betrekking tot de duur van het huurrecht. Hierbij moet men onderscheid maken tussen
a. huurovereenkomsten die na 1 mei 1971 zijn gesloten b. overeenkomsten die op 1 mei 1971 van kracht waren Huurovereenkomsten die na 1 mei 1971 zijn gesloten Bescherming bestaat hierin dat huurder in de regel de eerste tien jaar verzekerd is van zijn huurrecht.
De tien jaar zijn verdeeld in twee termijnen van vijf jaar. Aan het eind van de eerste vijf jaar is er een zeer beperkte mogelijkheid de huur te beëindigen. Doet die zich niet voor dan gaat de tweede termijn van vijf jaar in.
Na tien jaar is er geen stelsel van vaste termijnen meer. De huur moet daarna worden opgezegd bij deurwaardersexploit of aangetekende brief, met een opzegtermijn van minstens een jaar.
Bij opzegging kan de huurder binnen zes weken aan de kantonrechter om verlenging van de huurovereenkomst vragen. Als de kantonrechter de huurovereenkomst heeft verlengd, kunnen zowel huurder als verhuurder hem vragen een nieuwe huurprijs vast te stellen. De rechter kijkt daarbij naar de huurprijzen van vergelijkbare panden in de buurt.
Huurovereenkomsten die op 1 mei 1971 van kracht waren Een voorstel van de verhuurder voor verhoging van de huurprijs hoeft niet zo maar door de huurder aanvaard te worden. Worden partijen het niet eens over de huurprijs dan kan de verhuurder de huur opzeggen.
De huur moet worden opgezegd, bij deurwaardersexploit of aangetekende brief, met een opzegtermijn van één jaar.
De huurder heeft zes weken de tijd om aan de kantonrechter om verlenging van de huurovereenkomst vragen.
In geval van verlenging stelt de kantonrechter op verzoek ook de nieuwe huurprijs vast.
Meer informatie en modelovereenkomsten vindt U op de site van de Raad voor Onroerende zaken