|
1.17 Giftenaftrek
Voor giften die niet
in de vorm van periodieke uitkeringen zijn gedaan (de zogenaamde
andere giften) geldt een drempel van 60 of als dat meer is 1% van
het verzamelinkomen (vσσr toepassing van de persoonsgebonden
aftrek). Tevens geldt voor deze giften een maximum van 10% van dat
inkomen. Bij partners geldt dat zij hun andere giften en hun
verzamelinkomens moeten samenvoegen. Onder voorwaarden zijn giften
in de vorm van periodieke uitkeringen volledig aftrekbaar.
1.18 Aftrek
van bepaalde gemengde kosten
De beperking van de
aftrek van bepaalde gemengde kosten voor ondernemers (zoals voedsel,
representatie en congressen) wordt met ingang van 1 januari 2005
verder beperkt. Dit houdt in dat
4.000 ( 1.600) niet aftrekbaar is. De belastingplichtige kan er
echter ook voor kiezen dat 25% (10%) van de gemengde kosten niet
aftrekbaar is.
1.19 Werkruimte in de eigen woning
Per 1 januari 2005 wijzigt de fiscale behandeling van de werkruimte
in de eigen woning in de inkomsten-, loon-, en
vennootschapsbelasting. Een ruimte wordt fiscaal pas als werkruimte
behandeld als deze een zelfstandig gedeelte van een woning vormt en
intensief wordt gebruikt voor de verwerving van inkomen.
De werkruimte moet een zodanige zelfstandigheid bezitten dat de
ruimte duidelijk te onderscheiden is door uiterlijke kenmerken.
Daarbij kan gedacht worden aan een eigen opgang of ingang, maar
daarnaast kunnen ook de voorzieningen in de werkruimte van belang
zijn ter bepaling van de zelfstandigheid. In dat verband kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan eigen sanitair.
Een substantieel
deel van het inkomen moet in de zelfstandige ruimte worden verdiend.
Als men over een werkruimte elders beschikt, moet tenminste 70% van
het inkomen in de ruimte thuis worden verdiend. Als men niet elders
de beschikking heeft over een werkruimte, moet tenminste 30% van het
inkomen in de ruimte thuis worden verdiend.
Maximaal aftrekbaar
is 4% van de waarde over de werkruimte (bij huurwoningen: een deel
van de huur) plus een evenredig deel van de kosten die in
huurverhoudingen door een huurder zouden worden betaald. Een
onzelfstandige werkruimte (slaapkamer, zolderkamer) en een
zelfstandige werkruimte waarin onvoldoende wordt gewerkt, blijven
onderdeel van de eigen woning en daarmee van de regeling van het
eigenwoningforfait.
1.20
Tonnageregeling
De tonnageregeling
biedt belastingplichtigen de mogelijkheid om voor een periode van
ten minste tien jaren te kiezen voor een systeem waarbij de winst
uit zeescheepvaart forfaitair wordt vastgesteld aan de hand van de
scheepstonnage. De voorwaarden voor de tonnageregeling worden
gewijzigd. Deze aanpassingen zullen ter goedkeuring worden
voorgelegd aan de Europese Commissie. Na goedkeuring zal deze
maatregel bij Koninklijk Besluit in werking treden.
1.21
Willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen
De willekeurige
afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen komt per 1 januari 2005 te
vervallen. Ook de arbo-afdrachtvermindering voor de non-profitsector
komt te vervallen. Deze twee fiscale regelingen zullen worden
vervangen door ιιn subsidieregeling van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
1.22
Investeringsaftrek
De
belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de
afschrijvingen) een deel van het investeringsbedrag van de winst
aftrekken, de zogenoemde investeringsaftrek.
Deze aftrek kan de
vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van
energie-investeringsaftrek, van milieu-investeringsaftrek en van
filminvesteringsaftrek.
1.22.1
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
De
belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in
bedrijfsmiddelen, kan een aangewezen percentage van het
investeringsbedrag van de winst over dat jaar aftrekken.
Ten opzichte van
vorig jaar zijn er voor de eerste drie investeringsschijven (tot een
jaarlijkse investeringsomvang van 66 000) geen wijzigingen
aangebracht. Voor de volgende investeringsschijven is, als gevolg
van een aftopping van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, het
percentage kleinschaligheidsaftrek verlaagd.
|
Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van |
|
meer dan |
maar niet meer dan |
bedraagt het percentage |
|
|
2.000 |
0 |
|
2.000 |
34.000 |
25 |
|
34.000 |
66.000 |
22 |
|
66.000 |
97.000 |
17 |
|
97.000 |
129.000 |
14 |
|
129.000 |
161.000 |
11 |
|
161.000 |
193.000 |
8 |
|
193.000 |
226.000 |
5 |
|
226.000 |
258.000 |
3 |
|
258.000 |
290.000 |
0 |
|
290.000 |
|
0 |
Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele
samenwerkingsverband samengenomen.
1.22.2 Energie-investeringsaftrek
Voor ondernemers die
investeren in bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe is verklaard
dat sprake is van energie-investeringen (investeringen die in het
belang zijn van een doelmatig gebruik van energie) geldt de
energie-investeringsaftrek. Hieronder kunnen tevens worden begrepen
de kosten van een advies dat (mede) op die investering betrekking
heeft ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij
processen.
De
energie-investeringsaftrek bedraagt 44% (55%) bij een bedrag aan
energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan 2.000 (
2.000). Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in
aanmerking genomen 107.000.000 ( 106.000.000). Bij een
samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele
samenwerkingsverband samengenomen.
Investeringen kunnen
voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als de
energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.
1.22.3 Milieu-investeringsaftrek
Voor ondernemers die
investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als
milieu-investeringen (investeringen in het belang van de bescherming
van het Nederlandse milieu) geldt de milieu-investeringsaftrek.
Hieronder kunnen tevens worden begrepen de kosten van een
milieu-advies.
Bij een bedrag aan
milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan 2.000 (
2.000) bedraagt de milieu-investeringsaftrek:
·
voor milieu-investeringen die behoren tot categorie
I: 40%
·
voor milieu-investeringen die behoren tot categorie
II: 30%
·
voor milieu-investeringen die behoren tot categorie
III: 15%
De
milieu-investeringsaftrek is van toepassing naast de
kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Heeft de ondernemer gekozen
voor de energie-investeringsaftrek, dan komt de investering niet
tevens in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek.
1.22.4 Filminvesteringsaftrek
De zogenoemde filmcv-regeling wordt
verlengd. De wettelijke bepalingen over de filmcv-regeling zullen
van toepassing blijven op voortbrengingskosten van films gemaakt in
het kalenderjaar 2005 tot en met 2007. Ook wordt het bedrag dat een
vennootschapsbelastingplichtig lichaam (zoals B.V.s en NVs)
gefacilieerd in een filmonderneming kan investeren verruimd van
25.000 naar 100.000. Deze verdere verlenging van een eerder
goedgekeurde steunmaatregel zal ter goedkeuring worden voorgelegd
aan de Europese Commissie. Na goedkeuring zal deze maatregel bij
Koninklijk Besluit in werking treden, zonodig met terugwerkende
kracht.
1.22.5 Desinvesteringsbijtelling
Een ondernemer die
in een jaar bedrijfsmiddelen van de hand doet (desinvesteert) waarin
hij binnen vijf jaar daarvoor heeft geοnvesteerd, moet, als hij met
die desinvestering een bepaalde drempel overschrijdt, een bedrag aan
de winst toevoegen gelijk aan het destijds genoten
investeringsaftrekpercentage over het bedrag van de desinvestering.
Daarbij kan de desinvesteringsbijtelling niet hoger zijn dan de
destijds genoten investeringsaftrek. De desinvesteringsdrempel is
voor 2005 vastgesteld op 2.000. Dit bedrag is gelijk aan het
bedrag in 2004.
1.23 Ondernemersaftrek
De ondernemersaftrek
is het gezamenlijke bedrag van:
·
de zelfstandigenaftrek
·
de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk
·
de meewerkaftrek en
·
de stakingsaftrek.
1.23.1
Zelfstandigenaftrek
De
zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het
urencriterium voldoet en die bij het begin van het kalenderjaar de
leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.
|
Bij een
winst in 2005 van |
|
meer dan |
maar niet
meer dan |
bedraagt de
zelfstandigenaftrek |
|
- |
13.030 |
8.386 |
|
13.030 |
15.115 |
7.796 |
|
15.115 |
17.205 |
7.209 |
|
17.205 |
49.275 |
6.425 |
|
49.275 |
51.360 |
5.864 |
|
51.360 |
53.450 |
5.244 |
|
53.450 |
55.530 |
4.628 |
|
55.530 |
- |
4.068 |
|
Bij een
winst in 2004 van |
|
meer dan |
maar niet
meer dan |
bedraagt de
zelfstandigenaftrek |
|
- |
12.850 |
6.585 |
|
12.850 |
14.905 |
6.122 |
|
14.905 |
16.965 |
5.660 |
|
16.965 |
48.595 |
5.045 |
|
48.595 |
50.650 |
4.604 |
|
50.650 |
52.710 |
4.118 |
|
52.710 |
54.765 |
3.634 |
|
54.765 |
- |
3.194 |
Indien de ondernemer
in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen
ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal
zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigen-aftrek
verhoogd met 1.969 ( 1.941) (startersaftrek).
1.23.2 Aftrek speur- en
ontwikkelingswerk
De aftrek voor
speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de ondernemer die aan het
urencriterium voldoet en die in het kalenderjaar ten minste 500 uur
(625 uur) besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring is aangemerkt
als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek bedraagt 11.154 (
11.000).
Indien de ondernemer
in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen
ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de
aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk is toegepast, wordt de
aftrek speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met 5.577 ( 5.500).
1.23.3 Meewerkaftrek
De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium
voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid
verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als
ondernemer winst geniet.
|
Bij
arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een
aantal uren in beslag neemt |
|
gelijk aan
of meer dan |
maar minder
dan |
bedraagt de
meewerkaftrek |
|
525 |
875 |
1,25% van de winst |
|
875 |
1.225 |
2 % van de winst |
|
1.225 |
1.750 |
3 % van de winst |
|
1.750 |
|
4 % van de winst |
1.23.4 Stakingsaftrek
De stakingsaftrek
geldt voor de ondernemer die in het kalenderjaar winst behaalt met
of bij het staken van ιιn of meer gehele ondernemingen waaruit hij
als ondernemer winst geniet en bedraagt 3.630 eenmaal per leven.
Voor
belastingplichtigen die op 31 december 2000 ondernemer waren en dit
nog steeds zijn, wordt de stakingsaftrek verhoogd tot 6.988 (
10.346) voor ondernemers van 55 jaar of ouder en tot 4.719
( 5.808) voor ondernemers jonger dan 55 jaar. De verhoging wordt
verminderd met een eerder genoten stakingsvrijstelling en
stakingsaftrek.
1.24 Oudedagsreserve
De ondernemer die
aan het urencriterium voldoet en die bij de aanvang van het
kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij
het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar
toevoegen aan de oudedagsreserve. Dit betekent dat hij elk jaar een
bepaald bedrag als aftrekpost ten laste van de winst mag brengen. De
toevoeging aan de oudedagsreserve over een kalenderjaar bedraagt 12%
van de winst, maar niet meer dan 10.951 ( 10.799).
Deze toevoeging
wordt verminderd met de ten laste van de winst gekomen
pensioenpremies.
De toevoeging
bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij
het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van
het kalenderjaar te boven gaat.
1.25 Extra lijfrentepremie-aftrek
bij stakende ondernemers
De extra ruimte aan
lijfrentepremie-aftrek bij ondernemers die hun onderneming of een
gedeelte van hun onderneming staken bedraagt maximaal:
|
Bij |
2005 |
2004 |
|
·
overdrachten door ondernemers van 60 jaar of
ouder
·
overdrachten door invalide ondernemers
·
het staken van de onderneming door overlijden |
401.599 |
396.054 |
|
·
overdrachten door ondernemers van 50 tot 60
jaar
·
overdrachten door ondernemers indien de
lijfrente-uitkeringen direct ingaan |
200.804 |
198.031 |
|
in de
overige gevallen |
100.407 |
99.020 |
Bij de berekening
van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek is het inkomen en de
pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend.
Ondernemers mogen in het jaar dat zij (een deel van) hun onderneming
staken op verzoek daarvan afwijken en bij de berekening van de
lijfrentepremieaftrek er voor kiezen om de gegevens van het
kalenderjaar zelf te gebruiken. In het opvolgende kalenderjaar,
waarin weer uitgegaan moet worden van de gegevens van het
voorafgaande kalenderjaar, mag de stakingwinst niet nogmaals bij de
berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek in aanmerking
worden genomen.
1.26 Box 3
1.26.1 Heffingvrij vermogen
Bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft een
belastingplichtige recht op een heffingvrij vermogen van 19.522 (
19.252). Het heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden
overgedragen aan de partner.
1.26.2 Toeslag heffingvrij vermogen
minderjarige kinderen
Het heffingvrije
vermogen kan worden verhoogd met de toeslag heffingvrij vermogen
minderjarige kinderen indien de belastingplichtige als ouder op 31
december 2005 het gezag uitoefent over een minderjarig kind. De
toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen bedraagt 2.607
( 2.571) per minderjarig kind. Indien de belastingplichtige een
partner heeft, wordt deze toeslag bij de oudste partner in
aanmerking genomen, tenzij zij gezamenlijk anders verzoeken.
1.26.3 Ouderentoeslag
Het heffingvrije
vermogen kan onder voorwaarden worden verhoogd met de
ouderentoeslag. De hoogte van de ouderentoeslag wordt als volgt
berekend:
Bij een inkomen uit
werk en woning (vσσr inachtneming van de uitgaven voor kinderopvang
en de persoonsgebonden aftrek) van
|
meer dan |
maar niet
meer dan |
bedraagt de
ouderentoeslag |
|
- |
13.207 |
25.842 |
|
13.207 |
18.373 |
12.921 |
|
18.373 |
- |
nihil |
Om in aanmerking te komen voor de
ouderentoeslag mag de gemiddelde rendementsgrondslag (na aftrek van
het heffingvrije vermogen) niet meer bedragen dan 258.351 (
254.784).
De ouderentoeslag
kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
Als men het hele
jaar dezelfde fiscale partner heeft dan mag de gezamenlijke
gemiddelde rendementsgrondslag (na aftrek van het heffingvrije
vermogen) niet meer bedragen dan 516.702
( 509.568) om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag.
1.26.4 Vrijstelling maatschappelijke
beleggingen
Van de
vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld maatschappelijke
beleggingen tot een gezamenlijk maximum van 52.110 ( 51.390).
Maatschappelijke
beleggingen zijn beleggingen in fiscaal erkende groene of
sociaal-ethische fondsen.
De vrijstelling voor
maatschappelijke beleggingen kan onder voorwaarden worden
overgedragen aan de partner.
1.26.5 Vrijstelling beleggingen in
durfkapitaal
Van de
vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld beleggingen in
durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van 52.110 ( 51.390).
Beleggingen in
durfkapitaal zijn beleggingen in fiscaal erkende durfkapitaalfondsen
(indirecte beleggingen) en bepaalde leningen aan startende
ondernemers (directe beleggingen). De culturele beleggingen worden
ook tot de beleggingen in durfkapitaal gerekend.
De vrijstelling voor
beleggingen in durfkapitaal kan onder voorwaarden worden
overgedragen aan de partner.
1.26.6 Vrijstelling voor een
uitvaartverzekering
De vrijstelling voor
een uitvaartverzekering of een andere overlijdensrisicoverzekering
in box 3 bedraagt
6.332 ( 6.244).
1.26.7 Kapitaaluitkering uit
levensverzekering; overgangsrecht
Voor op 14 september
1999 bestaande kapitaalverzekeringen kan onder voorwaarden een
vrijstelling van maximaal 123.428 van toepassing zijn. Dit bedrag
is gelijk aan het bedrag in 2004. Deze vrijstelling kan onder
voorwaarden worden overgedragen aan de partner.
1.26.8 Schulden
Voor de berekening
van het voordeel uit sparen en beleggen worden schulden in
aanmerking genomen voor zover de gezamenlijke waarde meer bedraagt
dan 2.700 ( 2.600). Indien de belastingplichtige een partner
heeft, moet - ongeacht de toedeling van bezittingen en schulden -
een schuldendrempel van 5.400 ( 5.200) in aanmerking worden
genomen.
|