|
Belangrijkste wijzigingen in de belastingheffing met ingang van 1 januari
2005
De inflatiecorrectie
voor 2005 leidt tot een bijstelling van de daarvoor in aanmerking
komende bedragen met 1,4%. In de tekst zijn tussen haakjes de
bedragen vermeld zoals die gelden voor 2004.
1
Inkomstenbelasting
1.1
Tarieven
1.1.1 Tarief Box 1
(belastbaar inkomen uit werk en woning)
|
2005 |
|
|
|
|
|
|
Belastbaar
inkomen meer dan |
doch niet
meer dan |
belastingtarief |
tarief
premie volksverzekeringen |
totaal
tarief |
heffing over
totaal van de schijven |
|
Jonger dan 65 jaar |
|
|
|
|
|
|
- |
16.893 |
1,80% |
32,60% |
34,40% |
5.811 |
|
16.893 |
30.357 |
9,35% |
32,60% |
41,95% |
11.459 |
|
30.357 |
51.762 |
42 % |
|
42 % |
20.449 |
|
51.762 |
|
52 % |
|
52 % |
|
|
65 jaar en ouder |
|
|
|
|
|
|
- |
16.893 |
1,80% |
14,70% |
16,50% |
2.787 |
|
16.893 |
30.357 |
9,35% |
14,70% |
24,05% |
6.025 |
|
30.357 |
51.762 |
42 % |
|
42 % |
15.015 |
|
51.762 |
|
52 % |
|
52 % |
|
|
2004 |
|
|
|
|
|
|
Belastbaar
inkomen meer dan |
doch niet
meer dan |
belastingtarief |
tarief
premie volksverzekeringen |
totaal
tarief |
heffing over
totaal van de schijven |
|
Jonger dan 65 jaar |
|
|
|
|
|
|
- |
16.265 |
1,00% |
32,55% |
33,55% |
5.456 |
|
16.265 |
29.543 |
7,95% |
32,55% |
40,50% |
10.833 |
|
29.543 |
50.652 |
42 % |
|
42 % |
19.698 |
|
50.652 |
|
52 % |
|
52 % |
|
|
65 jaar en ouder |
|
|
|
|
|
|
- |
16.265 |
1,00% |
14,65% |
15,65% |
2.545 |
|
16.265 |
29.543 |
7,95% |
14,65% |
22,60% |
5.545 |
|
29.543 |
50.652 |
42 % |
|
42 % |
14.410 |
|
50.652 |
|
52 % |
|
52 % |
|
|
Premiepercentages volksverzekeringen: |
|
AOW
17,90% |
|
ANW
1,25% |
|
AWBZ
13,45% |
|
32,60% |
1.1.2 Tarief
Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang)
De belasting op het
belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang bedraagt 25%.
1.1.3 Tarief Box 3 (belastbaar
inkomen uit sparen en beleggen)
De belasting op het
belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 30%.
1.2 Heffingskortingen
1.2.1 Bedragen heffingskortingen
|
Heffingskorting |
Jonger dan
65 jaar |
65 jaar en
ouder |
|
|
2005 |
2004 |
2005 |
2004 |
|
Algemene
heffingskorting |
1.894 |
1.825 |
910 |
852 |
|
Arbeidskorting (maximaal)
·
tot 57 jaar
·
57, 58 of 59 jaar
·
60 of 61 jaar
·
62 jaar of ouder |
1.287
1.532
1.775
2.019 |
1.213
1.454
1.694
1.935 |
969 |
903 |
|
Kinderkorting |
112 |
110 |
54 |
53 |
|
Aanvullende
kinderkorting
·
inkomen lager dan 28.491
·
verhoging bij drie of meer kinderen
·
inkomen lager dan 30.225 |
690
65
504 |
547
64
363 |
332
32
243 |
256
30
170 |
|
Combinatiekorting |
228 |
224 |
110 |
105 |
|
Aanvullende
combinatiekorting |
389 |
290 |
188 |
136 |
|
Alleenstaande-ouderkorting |
1.401 |
1.381 |
673 |
646 |
|
Aanvullende
alleenstaande ouderkorting (maximaal) |
1.401 |
1.381 |
673 |
646 |
|
Jonggehandicaptenkorting |
639 |
531 |
|
|
|
Ouderenkorting |
|
|
454 |
418 |
|
Aanvullende
ouderenkorting |
|
|
287 |
248 |
|
Korting
maatschappelijke beleggingen |
1,3%* |
1,3%* |
1,3%* |
1,3%* |
|
Korting
beleggingen in direct durfkapitaal |
1,3%* |
1,3%* |
1,3%* |
1,3%* |
|
van de vrijstelling in box 3 |
1.2.2 Algemene heffingskorting
Iedere
belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting.
Partners hebben ieder zelfstandig recht op deze heffingskorting. Zij
kunnen deze korting niet overdragen aan hun partner. Als ιιn van de
partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen
heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder bepaalde
voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald
krijgen door de Belastingdienst. Weinig inkomen houdt hier in: het
totaalbedrag van salaris, uitkering of pensioen is lager dan
ongeveer 5.500 en er is geen ander inkomen. Voorwaarde voor
uitkering is dat de partner van belastingplichtige voldoende inkomen
heeft en voldoende belasting betaalt.
1.2.3. Arbeidskorting
Een
belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij ιιn van de
volgende soorten inkomsten heeft: loon of salaris, winst uit
onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Het moet gaan om
inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
De hoogte van de
arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de
hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (de
arbeidskortingsgrondslag). Voor ouderen vanaf 57 jaar geldt een
hogere arbeidskorting.
1.2.4 Kinderkorting
Een belastingplichtige heeft recht op kinderkorting als aan de
onderstaande voorwaarden wordt voldaan;
·
er behoort in 2005 meer dan zes maanden een kind tot
het huishouden van de belastingplichtige en dit kind is bij aanvang
van het kalenderjaar jonger dan 18 jaar en
·
dit kind is tijdens die periode op het woonadres van
belastingplichtige of dat van zijn partner ingeschreven en wordt
door ιιn van beide in belangrijke mate onderhouden en
·
het gezamenlijke verzamelinkomen van de
belastingplichtige en zijn partner is niet hoger dan
60.447 ( 59.612).
1.2.5 Aanvullende kinderkorting
Een
belastingplichtige heeft in 2005 recht op de aanvullende
kinderkorting van 504 ( 363) als voor hem de kinderkorting geldt
en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en
zijn partner in 2005 niet hoger is dan 30.225 ( 29.807).
Bij een gezamenlijk
verzamelinkomen dat niet hoger is dan 28.491 ( 28.097) wordt de
aanvullende kinderkorting verhoogd tot 690 ( 547). Daarnaast
wordt deze aanvullende kinderkorting nog extra verhoogd met 65 (
64) als er in het huishouden drie of meer kinderen zijn.
1.2.6 Combinatiekorting
Een
belastingplichtige heeft recht op de combinatiekorting als:
·
hij inkomen uit tegenwoordige arbeid heeft waarvoor
meer dan 4.366 ( 4.306) wordt ontvangen, of de belastingplichtige
komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek voor ondernemers en
·
er behoort in 2005 gedurende tenminste 6 maanden een
kind tot zijn huishouding dat bij aanvang van het kalenderjaar
jonger is dan 12 jaar en
·
tijdens die periode is dit kind op hetzelfde woonadres
ingeschreven als de belastingplichtige.
Als beide ouders aan
de voorwaarden voldoen, hebben ze allebei recht op deze korting.
1.2.7 Aanvullende combinatiekorting
De minstverdienende
partner die recht heeft op de combinatiekorting, heeft ook recht op
de aanvullende combinatiekorting. Deze heffingskorting geldt
eveneens voor de werkende alleenstaande ouder die recht heeft op de
combinatiekorting. De aanvullende combinatiekorting bedraagt in 2005
389 ( 290).
1.2.8 Alleenstaande-ouderkorting
Een
belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als
hij in 2005 meer dan zes maanden:
·
geen partner heeft en
·
een huishouding voert met een kind dat hij in
belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres
ingeschreven moet staan en
·
deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die
bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben
bereikt.
1.2.9 Aanvullende
alleenstaande-ouderkorting
Een
belastingplichtige heeft recht op de aanvullende
alleenstaande-ouderkorting als hij:
·
recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting en
·
tegenwoordige arbeid verricht en
·
tot zijn huishouden behoort gedurende een periode van
meer dan zes maanden een kind dat bij aanvang van het kalenderjaar
de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en dat gedurende die tijd
op hetzelfde woonadres is ingeschreven.
De hoogte van de
aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van de
inkomsten uit werkzaamheden buiten de huishouding, maar maximaal
1.401 ( 1.381).
1.2.10 Jonggehandicaptenkorting
De jonggehandicaptenkorting geldt voor de
belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), tenzij voor hem
de ouderenkorting geldt. Men komt ook voor de
jonggehandicapten-korting in aanmerking, als weliswaar recht bestaat
op een Wajong-uitkering maar niet daadwerkelijk een wajonguitkering
wordt ontvangen, vanwege het hebben van een andere uitkering of
ander inkomen uit arbeid.
1.2.11 Ouderenkorting
Een
belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31
december 2005 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van
niet meer dan 30.728 ( 30.303).
1.2.12 Aanvullende ouderenkorting
Een
belastingplichtige heeft recht op de aanvullende ouderenkorting als
hij:
·
recht heeft op de ouderenkorting en
·
recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden.
1.2.13 Toetrederskorting
Als men vσσr 2003
vanuit een uitkeringssituatie (zoals bijstand of WAO, WAZ en Wajong)
of gesubsidieerd werk, toetrad tot de arbeidsmarkt bestaat onder
bepaalde voorwaarden recht op een toetrederskorting van 2.269,
verdeeld over drie jaren: 1.361 in het eerste jaar en 454 in het
tweede en derde jaar.
De toetrederskorting
is op 1 januari 2003 afgeschaft. Belastingplichtigen die vanaf die
datum toetreden tot de arbeidsmarkt hebben daarom geen recht op
toetrederskorting. Wel kan in 2005 nog een tranche worden verrekend
waarop men recht heeft gekregen door het toetreden tot de
arbeidsmarkt vσσr
1 januari 2003.
1.2.14 Overgangsrecht
invorderingsvrijstelling
De inkomensgrens voor de tijdelijke
verhoging van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen
met een partner, is met terugwerkende kracht, tot 1 januari
2004,verhoogd van 5.833 naar 5.921. Voor het kalenderjaar 2005
is de inkomensgrens vastgesteld op 6.199. De groep alfahulpen die
voorheen recht had op de (afgeschafte) invorderingsvrijstelling,
blijft hierdoor tot en met 2005 in aanmerking komen voor een
tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. In 2005
bedraagt de verhoging nog 23,5% (47%) van het bedrag van de
berekende tijdelijke verhoging. De tijdelijke verhoging van de
algemene heffingskorting is een algemeen geldende regeling. De
regeling beperkt zich dus niet tot alfahulpen, maar geldt voor
iedereen met een beperkt inkomen.
1.2.15 Korting voor maatschappelijke
beleggingen
Deze korting geldt
voor de belastingplichtige die belegt in maatschappelijke
beleggingen (groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen). De
korting bedraagt 1,3% van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is
vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.
1.2.16 Korting voor beleggingen in
durfkapitaal
Deze korting geldt
voor de belastingplichtige die belegt in direct durfkapitaal en in
culturele beleggingen. De korting bedraagt 1,3% van het bedrag dat
daarvoor gemiddeld is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box
3.
1.3 Aanslaggrens voor de
inkomstenbelasting
De aanslaggrens voor
de inkomstenbelasting wordt in 2005 40 ( 217). Als het verschil
tussen de verschuldigde inkomstenbelasting en het saldo van de
gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven meer bedraagt
dan 40 ( 217) volgt een aanslag.
1.4 Teruggaafgrens loonbelasting en
premie volksverzekeringen (T-biljet)
De grens voor teruggaaf op verzoek, op grond van teveel ingehouden
loonbelasting en premie volksverzekering over het belastingjaar 2005
is 13 ( 13).
Naast de voorheffingen moeten ook in aanmerking worden genomen de
voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de
heffingskorting zijn vastgesteld (gezamenlijk genoemd:
voorheffingssaldo). Als dit voorheffingssaldo de verschuldigde
belasting niet of met niet meer dan 13 ( 13) overtreft, dan volgt
geen aanslag.
1.5 Werknemersaftrek
1.5.1 Reisaftrek
Voor het regelmatig
woon-werkverkeer met het openbaar vervoer kan de reisaftrek van
toepassing zijn. Voor deze aftrek gelden een aantal voorwaarden:
·
de belastingplichtige moet beschikken over een
openbaar-vervoerverklaring of een reisverklaring) en
·
de per openbaar vervoer afgelegde enkele reisafstand
moet meer dan 10 kilometer bedragen en
·
de belastingplichtige moet regelmatig (doorgaans
minimaal ιιn keer per week of minimaal 40 dagen in 2005) tussen zijn
woning en zijn werkplek heen en weer reizen per openbaar vervoer.
|
Reiskosten openbaar vervoer |
|
Enkele
reisafstand woon-werkverkeer in km |
aftrekbedrag
in 2005 |
aftrekbedrag
in 2004 |
|
meer dan |
niet meer
dan |
|
|
|
0 |
10 |
- |
- |
|
10 |
15 |
392 |
386 |
|
15 |
20 |
524 |
516 |
|
20 |
30 |
880 |
867 |
|
30 |
40 |
1.091 |
1.075 |
|
40 |
50 |
1.424 |
1.404 |
|
50 |
60 |
1.583 |
1.561 |
|
60 |
70 |
1.757 |
1.732 |
|
70 |
80 |
1.817 |
1.791 |
|
80 |
- |
1.842 |
1.816 |
Voor de
belastingplichtige die op drie, twee of ιιn dag per week naar
dezelfde plaats van werkzaamheden reist per openbaar vervoer
bedraagt het aftrekbedrag indien de reisafstand niet meer bedraagt
dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van
het in de tabel aangegeven bedrag. Als de enkele reisafstand groter
is dan 90 kilometer: 0,20 ( 0,20) per kilometer vermenigvuldigd
met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar maximaal 1.842 (
1.816).
1.5.2 Zeedagenaftrek
Voor de kapitein,
scheepsofficier of scheepsgezel van een zeeschip in de zin van de
Zeebrievenwet die in verband met zijn werkzaamheden doorgaans
tenminste 180 dagen per jaar aan boord van een dergelijk zeeschip of
in een buitenlandse haven of havenplaats verblijft, bedraagt de
zeedagenaftrek 4 per zeedag. Daarbij tellen niet mee:
·
reizen met een reisduur van 14 dagen of minder, tenzij
gedurende de reis een buitenlandse haven is aangedaan die voor de
vervoerde zaken of personen het karakter van haven van bestemming of
vertrek heeft
·
reizen waarbij vertrek en aankomst in een Nederlandse
haven op dezelfde dag liggen
·
dagen waarbij het schip in een Nederlandse haven ligt.
1.6 Eigenwoningforfait
Het forfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning
bedraagt:
|
2005 |
|
Als de WOZ-waarde meer is dan |
maar niet meer dan |
bedraagt het forfaitpercentage |
|
- |
12.500 |
nihil |
|
12.500 |
25.000 |
0,20% |
|
25.000 |
50.000 |
0,35% |
|
50.000 |
75.000 |
0,45% |
|
75.000 |
en hoger |
0,60% |
|
2004 |
|
Als de
WOZ-waarde meer is dan |
maar niet
meer dan |
bedraagt het
forfaitpercentage |
|
- |
12.500 |
nihil |
|
12.500 |
25.000 |
0,30% |
|
25.000 |
50.000 |
0,50% |
|
50.000 |
75.000 |
0,65% |
|
75.000 |
en hoger |
0,85% |
Het berekende
eigenwoningforfait kan niet hoger zijn dan 8.750 ( 8.500).
1.7 Aftrek
wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Met ingang van 2005
is er een aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Deze
aftrek wordt verleend als het saldo van eigenwoningforfait minus de
aftrekbare kosten zoals hypotheekrente positief is. De aftrek is
gelijk aan het verschil tussen het eigenwoningforfait en de
aftrekbare kosten.
Door deze aftrek kan
de bijtelling van het eigenwoningforfait nooit leiden tot een
positief inkomensbestanddeel in box 1. De regeling beoogt een
positieve prikkel te geven aan de financiering van de eigen woning
uit eigen middelen.
1.8 Bijtelling bestelautos
Vanaf medio 2005 zal
ook bij bestelauto's BPM worden geheven. Ondernemers en
gehandicapten krijgen (onder voorwaarden) deze BPM terug. Bij
bestelauto's waarvoor de afgifte van het kentekenbewijs deel I na de
inwerkingtreding van de nieuwe regeling (naar verwachting medio
2005) plaatsvindt wordt voor de berekening van de bijtelling
uitgegaan van de catalogusprijs inclusief omzetbelasting en BPM.
Voor bestelauto's waarvoor de afgifte van het kentekenbewijs deel I
voor inwerkingtreding van de nieuwe regeling heeft plaatsgevonden
heeft dit derhalve geen gevolgen voor de bijtelling.
1.9
Kinderopvang
De mogelijkheid voor
aftrek van kosten voor kinderopvang vervalt met ingang van 2005. Dit
in verband met de invoering van de nieuwe Wet kinderopvang (Wko).
Het is ook niet meer mogelijk om in 2005 nog aftrek te krijgen voor
kosten van kinderopvang die eventueel betrekking hebben op het jaar
2004.
1.10 Buitengewone uitgaven
Buitengewone
uitgaven in verband met ziekte, invaliditeit, overlijden,
arbeidsongeschiktheid, chronische ziekte,
ouderdom en adoptie.
1.10.1 Drempels
buitengewone uitgaven
De kosten voor
ziekte, invaliditeit en dergelijke komen voor aftrek in aanmerking
voor zover zij meer bedragen dan een bepaalde drempel. Het gaat dan
om kosten van belastingplichtige zelf, zijn fiscale partner en zijn
kinderen jonger dan 27 jaar en tot het huishouden van
belastingplichtige behorende ernstig gehandicapte personen van 27
jaar of ouder en van tot zijn huishouding behorende zorgafhankelijke
ouders, broers of zusters.
|
De drempels zijn als volgt voor 2005 |
|
verzamelinkomen van |
verzamelinkomen tot |
drempel |
|
- |
6.902 |
773 |
|
6.902 |
53.750 |
11,2% van het verzamelinkomen |
|
53.750 of meer |
- |
6.020 |
|
2004 |
|
verzamelinkomen van |
verzamelinkomen tot |
drempel |
|
- |
6.804 |
762 |
|
6.804 |
53.000 |
11,2% van het verzamelinkomen |
|
53.000 of meer |
- |
5.936 |
Als de
belastingplichtige het hele jaar een partner heeft gehad, moeten de
verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner worden
samengevoegd.
1.10.2 Kleding en beddengoed
Het bedrag voor
extra uitgaven voor kleding en beddengoed die als uitgaven ter zake
van ziekte en invaliditeit worden aangemerkt bedraagt 310 ( 320).
Indien wordt aangetoond dat deze extra uitgaven meer bedragen dan
620 ( 640) wordt het bedrag van 310 ( 320) verhoogd tot 775 (
800).
1.10.3 Reiskosten ziekenbezoek
Het bedrag voor
uitgaven ter zake van reizen in verband met het regelmatig bezoeken
van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde
personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of
invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, is gesteld op
0,18 ( 0,18). Voorwaarde is dat de enkele reisafstand meer is dan
10 kilometer.
1.10.4 Uitgaven wegens
arbeidsongeschiktheid
Deze uitgaven worden
in aanmerking genomen indien de belastingplichtige die hiervoor in
aanmerking komt bij het begin van het kalender jaar jonger is dan 65
jaar. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op 787 (
776).
1.10.5 Uitgaven wegens chronische ziekte
Voor de vaste aftrek
van 787 ( 776) voor uitgaven wegens chronische ziekte komt men in
aanmerking indien in het kalenderjaar per persoon voor een bedrag
van meer dan 311 ( 307) aan bepaalde specifieke ziektekosten
wordt betaald. Tot de specifieke ziektekosten behoren
geneesmiddelen, dieetkosten, eigen bijdrage AWBZ voor verzorging en
verpleging, kosten van hulpmiddelen, extra kosten van vervoer en van
gezinshulp en extra uitgaven voor kleding en beddengoed.
Indien het
verzamelinkomen vσσr toepassing van de persoonsgebonden aftrek lager
is dan 30.357
( 29.543), wordt het bedrag van deze specifieke ziektekosten
verhoogd met een vermenigvuldigings-factor van 65%.
De toepassing van de
vermenigvuldigingsfactor werkt niet mee voor de drempel van 311 (
307) aan specifieke uitgaven die toegang geven tot het chronisch
zieken forfait.
1.10.6 Uitgaven wegens chronische ziekte
van kinderen
Ouders/verzorgers van chronisch zieke
kinderen kunnen per chronisch ziek kind in aanmerking komen voor een
vaste extra aftrek van 787 ( 776). Voor deze vaste aftrek komt
men in aanmerking indien in het kalenderjaar voor het kind voor een
bedrag van meer dan 311 ( 307) aan bepaalde specifieke
ziektekosten wordt betaald.
Indien het
verzamelinkomen vσσr toepassing van de persoonsgebonden aftrek lager
is dan 30.357
( 29.543), wordt
het bedrag van deze specifieke ziektekosten verhoogd met 65%
De toepassing van de
vermenigvuldigingsfactor werkt niet mee voor de drempel van 311 (
307) aan specifieke uitgaven die toegang geven tot het chronisch
zieken forfait.
1.10.7 Uitgaven wegens ouderdom
Uitgaven ter zake van ouderdom worden in aanmerking genomen indien
de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of
ouder is. Het in aanmerking te nemen bedrag is gesteld op 787
( 776).
1.11 Aftrek levensonderhoud voor
kinderen
Uitgaven voor kosten
van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar zijn aftrekbaar
als voor het kind geen recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de
AKW en het kind geen recht heeft op studiefinanciering of een met
AKW of studiefinanciering vergelijkbare regeling. Als de kosten in
belangrijke mate drukken op de belastingplichtige, komen deze voor
aftrek in aanmerking tot een bedrag van:
a.
270 per kalenderkwartaal indien het kind jonger is dan 6 jaar
b.
330 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder, maar
jonger dan 12 jaar is
c.
399 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder, maar
jonger dan 18 jaar is
d.
330 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.
De kosten van het
onderhoud van een kind worden geacht in belangrijke mate op de
belastingplichtige te drukken, indien de op de belastingplichtige
drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten
minste 386 per kwartaal beloopt.
Het bedrag vermeld
onder d. wordt verhoogd tot 660 indien de kosten van het
levensonderhoud grotendeels (voor meer dan 50%) op de
belastingplichtige drukken en de kosten van de belastingplichtige
voor het kind tenminste 660 bedroegen.
Indien het kind niet
tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, wordt het
bedrag onder d. vermeld verhoogd tot 990 indien deze kosten geheel
(100%) of nagenoeg geheel (90% of meer) op de belastingplichtige
drukken en de kosten van belastingplichtige voor het kind tenminste
990 bedroegen.
Als
belastingplichtige het gehele jaar een fiscale partner heeft of een
deel van het jaar een partner heeft maar wel kiest voor het gehele
jaar fiscaal partnerschap en beiden doen uitgaven voor
levensonderhoud voor een kind jonger dan 30 jaar worden deze
uitgaven samengevoegd.
Als
belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft
en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan
wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de
helft als beiden uitgaven voor levensonderhoud van een kind in
aanmerking nemen.
Er bestaat geen
aanspraak op aftrek uitgaven levensonderhoud als het recht op
kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export
uitkeringen die op 1 januari 2000 in werking is getreden.
1.12 Weekenduitgaven gehandicapte
kinderen
De regeling voor
weekenduitgaven is gewijzigd. Naast de al bestaande aftrek voor
kinderen, komen met ingang van 2005 ook de extra uitgaven voor de
verzorging thuis van doorgaans in een inrichting verblijvende
ernstig gehandicapte broers of zusters van de belastingplichtige
voor aftrek in aanmerking. Ook een mentor als bedoeld in het
Burgerlijk Wetboek kan onder dezelfde voorwaarden voor de aftrek in
aanmerking komen. De minimumleeftijdsgrens van de gehandicapte is
verlaagd van 30 naar 27 jaar. De volgende bedragen komen voor aftrek
in aanmerking
·
9 per dag van verzorging van de gehandicapte door de
belastingplichtige
·
0,18 per kilometer voor het vervoer van de
gehandicapte per auto door de belastingplichtige over de reisafstand
tussen de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de
plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft.
Als
belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft
en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan
wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de
helft als beiden weekenduitgaven gehandicapte kinderen in aanmerking
nemen. Uitgaven die in aanmerking zijn genomen als weekenduitgaven
voor gehandicapte kinderen kunnen niet tevens in aanmerking worden
genomen als uitgaven voor levensonderhoud voor kinderen.
1.13 Scholingsuitgaven
Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door belastingplichtige
zelf volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven
van inkomen uit werk en woning. Voor de aftrek van de uitgaven geldt
een drempel van 500 en een maximum van 15.000. Als
belastingplichtige recht heeft op aftrek van de vaste bedragen in
het kader van de wet studiefinanciering wordt het maximum daarmee
verhoogd.
1.14 Kapitaalverzekering eigen
woning
Voor de uitkering
uit een kapitaalverzekering eigen woning (box 1) kunnen de volgende
vrijstellingen van toepassing zijn:
·
bij 15 tot en met 19 jaar premiebetaling: maximaal
31.700 ( 31.200)
·
bij 20 jaar of meer premiebetaling: maximaal 139.500
( 137.500).
De totale
vrijstelling kan nooit meer bedragen dan 139.500 ( 137.500) per
belastingplichtige gedurende zijn leven.
1.15 Uitgaven voor
inkomensvoorzieningen: lijfrente en andere premies
Premies voor
lijfrenten zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Indien is
voldaan aan de voorwaarden voor lijfrentepremie-aftrek, gelden
vervolgens voor de hoogte van de premie-aftrek de volgende regels:
·
premies zijn aftrekbaar voor zover de
belastingplichtige een pensioentekort heeft en jonger is dan 65
jaar. De hoogte van het aftrekbare bedrag moet bepaald worden aan de
hand van de jaarruimte of reserveringsruimte. Bij de berekening van
de jaarruimte zijn het inkomen en de pensioenaangroei van het
voorafgaande kalenderjaar bepalend
·
de jaarruimte bedraagt maximaal 25.033 ( 24.687)
·
de reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek
ten hoogste 17% van de premiegrondslag met een maximum van 6.332
( 6.244). Voor de belastingplichtige die op 1 januari 2005 de
leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het maximumbedrag van
6.332 ( 6.244) verhoogd tot 12.508 (12.335)
·
voor de jaar- en reserveringsruimte geldt een
terugwentelingstermijn van 3 maanden. Om voor premie-aftrek in 2005
in aanmerking te komen moeten de lijfrentepremies dus voor 1 april
2006 zijn betaald.
Premies voor een
arbeidsongeschiktheidsverzekering, premies WAZ en premies van
lijfrenten voor meerderjarige invalide(klein)kinderen zijn niet
gebonden aan een maximaal aftrekbedrag.
De maximale
premiegrondslag bij de berekening van de jaarruimte is 147.253 (
145.219).
De in te bouwen
AOW-franchise bij de berekening van de jaarruimte is 10.719 (
10.571).
Het maximaal bedrag
van de jaaruitkering voor overbruggingslijfrenten is 63.288 (
62.414).
Voor tijdelijke
oudedagslijfrenten is het maximaal bedrag van de jaaruitkering
18.990 ( 18.727).
1.16
Kamerverhuurvrijstelling INDEX \c "2"
De vrijstelling voor
kamerverhuur bedraagt in 2005 3.821 ( 3.710).
|