De persoonsgebonden aftrek is een optelsom van verschillende soorten uitgaven die aftrekbaar zijn van de inkomens in box 1, 2 of 3..
Persoonsgebonden aftrekposten U heeft een persoonsgebonden aftrek als u een of meer van de volgende posten heeft:
betaalde alimentatie en andere uitgaven voor onderhoudsverplichtingen; verliezen op beleggingen in durfkapitaal (geldt alleen voor Agaathleningen); uitgaven voor levensonderhoud van kinderen tot 30 jaar; ziektekosten en andere buitengewone uitgaven; uitgaven voor weekendbezoek van gehandicapte kinderen van 30 jaar of ouder; scholingsuitgaven; giften; uitgaven voor monumentenpanden. Als u een lening heeft om een studie (niet WSF) of ziektekosten te betalen, dan kunt u de rente die u over deze lening moet betalen nog tot en met 2005 meetellen bij de berekening van uw persoonsgebonden aftrek. De lening moet wel voor 2001 zijn afgesloten.
Hoe verrekent u uw persoonsgebonden aftrek? Als u een persoonsgebonden aftrek heeft, vermindert die uw inkomen op de volgende manier: Eerst trekt u de algemene aftrekposten af van uw inkomsten in box 1. Daarna trekt u de persoonsgebonden aftrekposten af. Uw inkomen in box 1 mag door de persoonsgebonden aftrek niet negatief worden. Als u uw persoonsgebonden aftrek niet (helemaal) in box 1 kunt aftrekken, trekt u het restant af van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Ook dat mag niet negatief worden.
Is er dan nog een stuk van de persoonsgebonden aftrek over, dan kunt u dat aftrekken van uw inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2). Voor bepaalde aftrekposten is een drempel of een vast aftrekbedrag vastgesteld. Als u uw persoonsgebonden aftrek niet (helemaal) kunt aftrekken van de inkomens in box 1, 2 en 3 samen, kunt u de rest van de aftrek meenemen naar het volgende jaar.